|
Criteria om voor zoogdieren en vogels te komen tot invulling van artikel 33 van
de gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
Zie ook Dierenlijsten, Positieflijst.
Raad voor Dierenaangelegenheden
Bezoekadres:
Bezuidenhoutseweg 73
2594 AC Den Haag
Postadres:
Postbus 90428
2509 LK Den Haag
Telefoon 070 3785266
Fax 070 3786336
E-mail:
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
Website: www.raadvoordierenaangelegenheden.nl
Samenstelling van de raad:
- prof. dr. C.J.G. Wensing, voorzitter
- A. Achterkamp
- mw. drs. I. Arendzen
- mw. ir. A.M. Burger
- mr. W. van de Giessen
- ir. M.J.B. Jansen
- drs. S.B.M. Jongerius
- J.Th. de Jongh
- dr. Tj. Jorna
- drs. R.J.T. van Lint
- P.J.H.M. Loonen
- dr. ir. H. Paul
- prof. dr. A. Pijpers
- S.J. Schenk
- prof. dr. F.J. van Sluijs
- H.W.A. Swinkels
- drs. P.A. Thijsse
- drs. H. Verburg
- prof. dr. J.H.M. Verheijden
- mr. ing. C.J.J.M. Vermeeren
Secretaris: mw. dr. drs. I.D. de Wolf
Criteria om voor zoogdieren en vogels te komen tot
invulling van artikel 33 van de gezondheids- en welzijnswet
voor dieren
Artikel 33 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
(hierna: GWWD) stelt: ¨Het is verboden dieren te houden,
tenzij deze behoren tot bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen soorten of categorieën van dieren. Bij een
maatregel als bedoeld in het eerste lid kan worden bepaald
dat het houden slechts onder bepaalde voorwaarden is
toegestaan.¨ Artikel 33 van de GWWD regelt dus welke dieren,
al dan niet onder voorwaarden, in Nederland gehouden mogen
worden volgens het 'nee, tenzij'-principe, dat
karakteristiek is voor de gehele GWWD. Het houden van dieren
voor productiedoeleinden wordt geregeld in artikel 34 van de
GWWD.
Artikel 33 van de GWWD vraagt om een lijst met diersoorten
die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen om
te mogen worden gehouden. Aan het houden van deze
diersoorten kunnen voorwaarden worden gesteld. Het artikel
richt zich met name op de burger die huisdieren wenst te
houden, dus op die mensen die ¨ter eigen nutte¨ dieren
(willen) houden.
Op verzoek van het Ministerie van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit (hierna: LNV) heeft de Raad voor
Dierenaangelegenheden (hierna: de Raad) zich gebogen over de
precieze invulling van artikel 33 van de GWWD. Om te komen
tot een lijst met diersoorten die bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen kunnen worden, heeft de Raad voor een
negatieve benadering gekozen. Een werkgroep van
belanghebbenden en deskundigen (zie bijlage 1) heeft
allereerst een lijst opgesteld van diersoorten die níet
gehouden kunnen worden op basis van door de Raad
geformuleerde criteria (zie ook kader op blz.7). Daarbij
staat de gezondheid en het welzijn van het dier centraal.
Voor diersoorten die niet in deze lijst zijn opgenomen, kan
worden voldaan aan de door de Raad geformuleerde criteria.
Deze diersoorten kunnen derhalve, al dan niet onder
voorwaarden, gehouden worden en zijn derhalve op een
positieflijst geplaatst. Het opstellen van een positieflijst
(naast de negatieflijst) sluit aan bij het karakter van de
GWWD: iets mag niet, tenzij ... Of in dit geval: dieren
mogen niet gehouden worden, tenzij ze genoemd worden op de
positieflijst.
In dit advies wordt zowel voor de zoogdieren als voor de
vogels een tweetal lijsten voorgesteld: (1) een
negatieflijst met soorten die naar de mening van de Raad
niet op een vanuit gezondheids- en welzijnsoogpunt
aanvaardbare wijze gehouden kunnen worden en (2) een
positieflijst van soorten die naar de mening van de Raad wél
op een vanuit gezondheids- en welzijnsoogpunt aanvaardbare
wijze gehouden kunnen worden (en derhalve aansluit bij het
basisprincipe van de GWWD). Deze twee lijsten tezamen dekken
alle tot nu toe bekende soorten binnen de groepen van de
zoogdieren en de vogels.
In dit rapport brengt de Raad uitsluitend advies uit welke
zoogdier- en vogelsoorten al dan niet gehouden kunnen worden
conform de door de Raad opgestelde criteria. In een later
stadium dienen de voorwaarden, die aan het houden van de op
de positieflijst genoemde diersoorten gesteld kunnen worden
(lid 2 van artikel 33 GWWD), geformuleerd te worden. Een
omschrijving van houderijeisen is voor veel diersoorten
bepalend voor het welzijn van de betreffende diersoort.
Daarnaast zal een advies over de invulling van artikel 56
van de GWWD, dat de handel in dieren regelt, worden
opgesteld.
De door de Raad voorgestelde lijsten hebben geen permanent
karakter: nieuw beschreven diersoorten kunnen ten allen
tijde op de negatief- dan wel positieflijst worden opgenomen
of diersoorten kunnen als gevolg van nieuwe inzichten van de
negatieflijst naar de positieflijst v.v. verschuiven.
Zoals reeds hiervoor beschreven heeft de Raad bij zijn
werkzaamheden een aantal criteria geformuleerd (zie kader op
de volgende bladzijde). Als aan één of meer van de
onderscheiden criteria wordt voldaan voor een diersoort,
dient de diersoort op de negatieflijst geplaatst te worden,
omdat de diersoort vanuit een gezondheids- en welzijnskundig
oogpunt niet op een aanvaardbare wijze in Nederland gehouden
kan worden. Een belangrijk criterium om een diersoort aan de
negatieflijst toe te voegen is het niet kunnen uitoefenen
van het natuurlijk gedrag, zodanig dat het welzijn van het
dier volgens de huidige kennis wordt aangetast. Dit
criterium speelt met name, maar uitdrukkelijk niet
uitsluitend, bij niet-gedomesticeerde diersoorten.
Het Ministerie van LNV onderstreept in de Beleidsnota
Dierenwelzijn het belang van het kunnen uitoefenen van het
natuurlijk gedrag door het als richtinggevend perspectief
voor het dierenwelzijnsbeleid aan te wijzen.
Criteria voor toewijzing van diersoorten aan de
negatieflijst
Een diersoort dient op de negatieflijst te
worden geplaatst als:
- Op basis van kennis/ervaring en/of literatuur blijkt dat
de diersoort niet gehouden kan worden of als kennis/ervaring
of literatuur over (de houderijomstandigheden van) de
diersoort ontbreekt
- Het dier
niet onder normale, reële omstandigheden gehouden kan
worden; aandachtspunten die hierbij in beschouwing dienen te
worden genomen zijn:
- Het natuurlijk gedrag van de diersoort
- De natuurlijke omgeving van de diersoort
- De eisen die de diersoort aan zijn huisvesting stelt
- De eisen die de diersoort aan zijn verzorging stelt
- De beschikbaarheid van informatie en/of de aanwezigheid
van voorlichtingsmateriaal over (het houden van) de
diersoort
- De veterinaire zorg die vereist is voor de diersoort
- De diersoort niet vrij van chronische, negatieve
stress gehouden kan worden; aandachtspunten die hierbij in
beschouwing dienen te worden genomen zijn, indien van
toepassing op de soort:
- Het sociaal gedrag
- Het voedsel en het voedselopnamegedrag
- Zelfbeveiliging
- Rustgedrag
- Uitscheidingsgedrag
- Comfortgedrag
- Thermoregulerend gedrag
- Exploratiegedrag
- Voortplantingsgedrag en opgroei
- Bioritme
- Locomotie
- Opvang van het dier tot grote problemen leidt,
waardoor het welzijn van het dier in het gedrang komt,
bijvoorbeeld:
- Na overlijden van de eigenaar
- Als de eigenaar afstand wil doen van het dier
- In het geval van een calamiteit
Overige overwegingen van de raad:
| 1. maatschappelijke (on-)aanvaardbaarheid |
|
 |
...van het houden van bepaalde soorten
De Raad heeft overwogen dat een belangrijk criterium dat
meegewogen zou moeten worden bij het al dan niet toestaan
van het houden van bepaalde diersoorten de maatschappelijke
aanvaardbaarheid van het houden van de betreffende diersoort
is. Het houden van bepaalde diersoorten kan bijvoorbeeld
maatschappelijk minder of onaanvaardbaar zijn, omdat de
diersoort bij ontsnapping een gevaar vormt voor de mens of
de inheemse flora en fauna (agressieve en invasieve
soorten). Echter, de Raad is van mening dat binnen het kader
van artikel 33 van de GWWD de maatschappelijke
(on-) aanvaardbaarheid geen argument kan zijn om een diersoort
al dan niet aan de negatieflijst toe te voegen. De
uitgangspunten bij de invulling van artikel 33 van de GWWD
zijn namelijk de gezondheid en het welzijn van de te houden
dieren. In bijlage 2 wordt nader ingegaan op de door de Raad
gesignaleerde problematiek van de maatschappelijke
(on-)aanvaardbaarheid van het houden van bepaalde diersoorten.
| 2. trekgedrag van vogels |
|
 |
Bepaalde vogelsoorten vertonen, ook nadat er gedurende
enkele generaties met deze soorten is gefokt, trekgedrag.
Trekgedrag is een vorm van natuurlijk gedrag waaraan in
gevangenschap niet kan worden voldaan. Onduidelijk is in
welke mate vogelsoorten die trekgedrag vertonen stress
ondervinden van het niet kunnen uitoefenen van dergelijk
trekgedrag en wat de consequenties zijn van deze stress. De
Raad wijst er op dat dit punt met name speelt bij een aantal
zangvogelsoorten. Deze vogelsoorten kunnen, met uitzondering
van het vertonen van trekgedrag, conform de door de Raad
opgestelde criteria gehouden worden en zijn op basis hiervan
vooralsnog op de positieflijst geplaatst. Het betreft hier
in het bijzonder:
- Familie Bombycillidae (Pestvogels), genus Bombycilla
- Familie Turdinae (Lijsters), genera Monticola, Zoothera, Catharus en Turdus
- Familie Fringilidae (Vinken), subfamilie Emberizinae (Gorzen)
Indien uit onderzoek blijkt dat vogelsoorten die trekgedrag
vertonen stress ondervinden van het niet kunnen uitoefenen
van dergelijk trekgedrag en dat deze stress negatieve
consequenties heeft voor het welzijn van deze soorten,
dienen deze soorten op de negatieflijst te worden geplaatst.
Zolang deze kennis echter niet voorhanden is, blijft er
zowel bij deskundigen als bij belanghebbenden verdeeldheid
heersen over de vraag of deze soorten vanuit een
voorzorgsprincipe op de negatieflijst geplaatst dienen te
worden.
| 3. erkenningsmogelijkheid |
|
 |
De Raad is van mening dat de diersoorten die op de
negatieflijst zijn opgenomen vanuit gezondheids- en/of
welzijnskundig oogpunt niet geschikt zijn om door burgers te
worden gehouden. Voor veel van deze diersoorten geldt dat
een specialistische kennis nodig is, de huisvesting en
verzorging van deze soorten dermate gecompliceerd is en het
bieden van mogelijkheden tot het uitvoeren van het
natuurlijk gedrag dusdanig ingewikkeld is, dat een goede
gezondheid en welzijn niet met voldoende zekerheid
gegarandeerd kunnen worden.
De Raad is echter van mening dat, indien een houder kan
aantonen dat hij die omstandigheden heeft gecreëerd
waaronder de diersoort op een vanuit gezondheids- en
welzijnskundig oogpunt aanvaardbare wijze wordt gehouden,
een erkenning voor de houder tot de mogelijkheden zou moeten
behoren. Door middel van een dergelijke
erkenningsmogelijkheid wordt voorkomen dat de diersoort op
een positieflijst onder voorwaarden wordt geplaatst en
daarmee toegankelijk is voor het brede publiek. De controle
op het welzijn wordt eveneens eenvoudiger, omdat de
erkenningsmaatregel uitgaat van een omgekeerde bewijslast en
het voor de handhaver duidelijk is waar en door wie
diersoorten die op de negatieflijst staan gehouden worden.
De Raad pleit ervoor om de procedure voor het verkrijgen van
een erkenning administratief eenvoudig te houden. Aan de
erkenning kan een geldigheidstermijn worden gekoppeld.
Controle op de wijze waarop de houder de diersoort houdt is
noodzakelijk. Een inspectie kan bijvoorbeeld worden
gekoppeld aan een procedure voor verlenging van de
erkenning.
De procedure voor een erkenning kan vergelijkbaar zijn met
de procedure die de Raad heeft voorgesteld voor het toelaten
van nieuwe vissoorten voor productiedoeleinden (artikel 34
van de GWWD; advies RDA 2002/05), zij het dat een eventuele
erkenning niet voor de diersoort geldt maar uitsluitend voor
de aanvrager. De procedure voor erkenning begint dan met het
indienen van een formeel verzoek bij de verantwoordelijke
beleidsdirectie van het Ministerie van LNV. Bij het verzoek
tot erkenning dient een onderbouwd dossier te worden
aangeleverd waaruit moet blijken dat de diersoort vanuit
gezondheids- en welzijnsoogpunt op een aanvaarbare wijze in
Nederland door de aanvrager gehouden kan worden. Dit dossier
dient door een onafhankelijke commissie inhoudelijk te
worden getoetst. Toetsingscriteria moeten nog worden
opgesteld, maar dienen in ieder geval aan te sluiten bij de
criteria zoals geformuleerd op blz. 7 in dit advies. De
genoemde commissie adviseert de verantwoordelijke
beleidsdirectie, die vervolgens op haar beurt de
verantwoordelijke bewindspersoon adviseert. De beslissing
over een ontheffing wordt door deze bewindspersoon genomen.
Voor bepaalde groepen, zoals de houders van een
valkeniersacte zoals genoemd in artikel 38 lid 1 van de
Flora- en Faunawet, moet voor bepaalde diersoorten een
sneller traject mogelijk zijn (bijvoorbeeld een automatische
erkenning). Een erkenning voor deelnemers aan fokprogramma's
met bedreigde diersoorten dient eveneens naar de mening van
de Raad tot de mogelijkheden te behoren. Wel dienen deze
dieren op een vanuit gezondheids- en welzijnskundig oogpunt
van het dier aanvaardbare wijze gehouden te kunnen worden.
De Raad ziet in dit traject een belangrijke rol voor de
sector (dat wil zeggen de dierenliefhebberij, de
dierenbescherming en de handel) weggelegd. Wellicht kan de
sector de erkenningsprocedure geheel of gedeeltelijk zelf
organiseren (zie ook hoofdstuk 7). Er dient dan wel te
worden afgesproken bij wie welke verantwoordelijkheid rust.
De Raad is van mening dat het Ministerie van LNV toezicht
dient te houden op de erkenningsprocedure. Indien het
verlenen van erkenningen door de sector niet naar
tevredenheid van het Ministerie van LNV verloopt, kan zij de
verantwoordelijkheid voor deze procedure (meer) naar zich
toe trekken.
| 4. condities |
|
 |
... waaronder soorten die niet op de
negatieflijst staan gehouden zouden moeten worden
Een aantal diersoorten wordt niet op de negatieflijst
geplaatst en komt daarmee dus op de positieflijst. Deze
dieren mogen derhalve worden gehouden. De Raad realiseert
zich echter dat ook bij deze diersoorten de gezondheid en
het welzijn in het gedrang kunnen komen indien de soort niet
onder de juiste condities gehouden wordt. Derhalve is de
Raad van mening dat aan het houden van sommige soorten die
(vooralsnog) niet op de negatief- maar op de positieflijst
worden geplaatst, aanvullende voorwaarden gesteld dienen te
worden. Deze voorwaarden dienen een minimum
dierengezondheid en -welzijn te garanderen. Dit betekent dat
aan artikel 33 lid 2 van de GWWD invulling gegeven dient te
worden. De Raad is van mening dat bij de uitvoering en
handhaving van deze voorwaarden de sector een belangrijke
rol kan spelen (zie ook hoofdstuk 7).
| 5. overgangsperiode |
|
 |
De Raad is zich er van bewust dat een aantal diersoorten die
naar zijn mening op de negatieflijst hoort momenteel nog
gehouden wordt in Nederland. Dit betekent dat een
overgangsperiode waarin een 'uitsterfbeleid' gevoerd wordt,
noodzakelijk is. Het opstellen van voorwaarden voor het
houden van deze diersoorten verdient vooralsnog een lagere
prioriteit dan het opstellen van voorwaarden voor het houden
van diersoorten die op de positieflijst worden genoemd.
Desondanks komt ook bij de diersoorten waarvoor een
'uitsterfbeleid' geldt de gezondheid en het welzijn in het
gedrang indien de dieren op een onjuiste wijze worden
gehouden en kan het opstellen van voorwaarden ook voor deze
diersoorten wenselijk zijn. Bovendien kan het fokken met
deze dieren soms het welzijn van deze dieren ten goede
komen, maar is dit met het oog op het voorgenomen
uitsterfbeleid niet gewenst. De Raad zal zich hierover
beraden en in een nog nader te formuleren advies op deze
problematiek ingaan.
| 6. overige wet- en regelgeving |
|
 |
Ook andere wet- en regelgeving regelt ten dele welke
diersoorten al dan niet gehouden mogen worden, bijvoorbeeld
vanuit het oogpunt van soortenbescherming. De Raad heeft
deze wet- en regelgeving buiten beschouwing gelaten, omdat
het al dan niet houden van diersoorten door deze wet- en
regelgeving niet vanuit een gezondheids- en welzijnskundig
perspectief wordt geregeld.
| 7. de rol van de sector |
|
 |
De Raad is van mening dat de sector, dat wil zeggen de
dierenliefhebberij, de handel en de dierenbescherming, een
belangrijke rol kan spelen bij de uitvoering van artikel 33
van de GWWD. Het nemen van eigen verantwoordelijkheid door
de sector sluit aan bij het nieuwe beleid van het Ministerie
van LNV, waarin gestreefd wordt naar minder regulering en
handhaving door de overheid en meer verantwoordelijkheid bij
de sector. De sector heeft aangegeven deze
verantwoordelijkheid graag te willen nemen.
De sector heeft aangegeven zelf de voorwaarden die aan het
houden van diersoorten die op de positieflijst zijn
opgenomen (en dus gehouden mogen worden) te willen
opstellen. Hiertoe zijn reeds initiatieven opgestart. De
Raad is van mening dat aan het opstellen van voorwaarden
door de sector een termijn dient te worden gekoppeld. Binnen
deze termijn dient de sector de voorwaarden te formuleren en
deze aan een onafhankelijke commissie voor te leggen. De
commissie toetst vervolgens of het 'huiswerk' van de sector
van voldoende kwaliteit is. De Raad is van mening dat als de
voorwaarden niet binnen de afgesproken termijn zijn
opgesteld en geaccordeerd, bepaalde diersoorten alsnog op de
negatieflijst geplaatst moeten worden. Deze soorten zijn in
de positieflijsten voorzien van een voetnoot. Ook voor
diersoorten die niet voorzien zijn van een voetnoot moeten
op termijn voorwaarden worden opgesteld. Als de sector haar
verantwoordelijkheid onvoldoende neemt, kan de overheid zelf
voorwaarden opstellen of ook deze soorten op de
negatieflijst plaatsen.
Ook aan het toezicht op de naleving van de voorwaarden kan
de sector een belangrijke bijdrage leveren. De sector heeft
aangegeven ook hierin haar verantwoordelijkheid te willen
nemen en stelt voor zelf de naleving van de voorwaarden die
aan het houden van diersoorten gesteld kunnen worden te
controleren. Om te voorkomen dat ¨de boer verantwoordelijk
is voor de keuring van zijn eigen product¨, is de Raad van
mening dat het Ministerie van LNV toezicht moet uitoefenen
op de controle op naleving door de sector.
De sector heeft eveneens aangegeven een belangrijke rol te
kunnen en willen spelen bij het verlenen van een erkenning
aan specialisten. Omdat het hier diersoorten betreft waarbij
de opvangmogelijkheden dikwijls beperkt zijn, heeft de
sector aangegeven dat in dergelijke gevallen het vastleggen
van de wijze waarop opvang zal plaatsvinden, mocht dit
noodzakelijk zijn, een voorwaarde voor erkenning kan zijn.
In hoeverre de sector de verantwoordelijkheid voor de
erkenning van de overheid kan overnemen dient nader te
worden bekeken. Mogelijk kan de procedure voor erkenning,
zoals in hoofdstuk 3 geschetst, grotendeels of zelfs geheel
bij de sector komen te liggen.
De Raad merkt op dat nog bezien moet worden of aanvulling
van door de sector samengestelde commissies met andere
organisaties en deskundigen wenselijk dan wel noodzakelijk
is.
| 8. datum van inwerkingtreding |
|
 |
De Raad is van mening dat de datum van inwerkingtreding van
artikel 33 lid 1 van de GWWD in overleg met de sector
bepaald dient te worden. De Raad acht inwerkingtreding van
artikel 33 lid 1 binnen een periode van twee jaar haalbaar.
Zoals reeds in hoofdstuk 5 werd aangegeven dient een
overgangsperiode in acht te worden genomen. Deze
overgangsperiode kan in samenspraak met de sector bepaald
worden. De Raad acht het wenselijk dat artikel 33 lid 1 van
de GWWD in werking treedt, ook als aan de inhoud van artikel
33 lid 2 van de GWWD nog geen vorm is gegeven. Wel acht de
Raad het wenselijk om met de sector afspraken te maken over
de termijn waarop hieraan vorm kan worden gegeven (zie ook
hoofdstuk 7).
Negatief- en positieflijst voor zoogdieren
Op grond van de criteria zoals hiervoor geformuleerd en de
overwegingen van de Raad in acht nemende, dienen naar de
mening van de Raad de in tabel 1, kolom 1 opgenomen families
van zoogdieren op een negatieflijst geplaatst te worden. Dit
betekent dat de Raad van mening is dat deze zoogdieren niet
in Nederland gehouden zouden mogen worden. Bij het opstellen
van de negatieflijst voor zoogdieren is de systematiek van
Ronald M. Novak, 'Walkers Mammals of the World' (zesde
editie, 1999; Baltimore and London; ISBN 0-8018-5789-9)
aangehouden.
De tweede kolom in tabel 1 vormt de positieflijst, volgend
uit de negatieflijst in kolom 1. Hier worden zoogdieren
genoemd die volgens de Raad wel gehouden kunnen worden. Als
er binnen een familie geen genera of soorten zijn die
gehouden kunnen worden, is deze kolom leeggelaten. Daar waar
soorten of genera binnen een bepaalde familie naar de mening
van de Raad wél gehouden kunnen worden, terwijl andere
soorten of genera binnen deze familie níet gehouden kunnen
worden, worden alleen de soorten en/of genera die wél
gehouden kunnen worden genoemd. Dit om de lijst beknopt
en overzichtelijk te houden (het aantal soorten en/of genera
binnen een familie is dikwijls zeer groot). Merk op dat de
wetenschappelijke namen niet cursief zijn genoteerd.
|